|






































| |
(Contact:
dehartspiegel@tele2.nl - 077-4771898 )
Ñ
Geesteswetenschap

§ 1. Inleiding
De grootste hindernis om iets te leren, is denken dat je 'het'
allemaal
al weet. Nu is er een
groep in onze samenleving
die zichzelf
'wetenschappers' noemt. Dat zou tot de
conclusie
kunnen leiden dat
leden van die groep 'het' al weten, maar
kan evengoed gezien
worden
als een hindernis tot leren en
daarmee leiden tot het dogmatisme dat
sekten
eigen is.
Dé eigenschap die ten grondslag ligt, of moet liggen, aan
(zich altijd
ontwikkelende) wetenschap
is
nieuwsgierigheid.
Uit talloze,
a priori
afwijzende, reacties van
'wetenschappers' op uitspraken
die niet
onmiddellijk met de hun
aangeleerde geloofsovertuiging
overeenkomen, blijkt dat
van
echte
nieuwsgierigheid zeer vaak
geen sprake (meer) is. Het vooroordeel
'het'
al te
weten,
maakt velen uit deze geloofsgemeenschap veeleer
tot verdedigers
van de
status-quo. Zelfs als de nieuwe gegevens
worden
aangedragen door leden van de
eigen
groep, die de moed
hadden om afwijkend onderzoek te doen, komt men meestal
niet
verder dan het in de ban doen van deze afvallige(n).
Door de eeuwen heen is vooruitgang steeds te danken
geweest
aan
personen die
weigerden zich aan te passen aan het tot dan toe
heersende geloof. Als we in de
geschiedenis duiken, zien we
steeds
weer, dat de vernieuwers worden verketterd
door
de groep
die op
dat moment de ('wetenschappelijke') instituten overheerst.
'Heel
veel
mensen zijn de gevangenen van de denkbeelden
van hun tijd', zegt
men wel eens.
In
bijna elke tijd hebben
de leidende figuren in de
samenleving hún waarheid gezien
als
vaststaand gegeven en verkocht
als dé waarheid en
'nieuwlichters' (het nieuwe
licht)
als een gevaar
afgeschilderd.

§ 2. Wetenschap
In de achttiende eeuw werd een scheiding manifest, die op zich
op
dat moment
nodig
was om verdere ontwikkeling mogelijk
te maken;
de scheiding tussen godsdienst,
staat
en wetenschap.
Dit bracht
allerlei ontwikkelingen op gang, die je zou kunnen
samenvatten als
‘bevrijdings’-bewegingen (democratieën,
emancipatie, vrij
empirisch
onderzoek, enz.).
Sinds de achttiende eeuw overheerst hier in toenemende mate
het
materialistisch
wereldbeeld, dat het universum ziet
als een ‘zielloos
uurwerk’ (Newton). Op
basis
daarvan
ontwikkelt zich het natuurwetenschappelijke paradigma,
met zijn
basiswetten
voor de,
verondersteld, geestloze materie.
Ze verklaart alleen dat van waarde
wat
te
meten is ('meten is weten').
Die benadering heeft voor een
gigantische sprong
voorwaarts
gezorgd
en
de zeker fascinerende
resultaten hiervan
hebben
vrijwel de gehele westerse
bevolking
van
een (oude) nieuwe
afgod
voorzien, maar ook van nieuwe en dit maal
mogelijk
alle
leven bedreigende,
door de mens zelf veroorzaakte,
problemen.
Veel mensen zijn
zodanig
gehypnotiseerd geraakt door de vele
(ook
nuttige) speeltjes
die dat
meebracht, dat zij
dat geloof
(er bestaat
geen ‘geest’)
voor de werkelijkheid zijn gaan
houden.
Gevolg
is
dan:
“Deze natuurwetenschappelijke benadering
geeft hét antwoord
op álle
terreinen.”
Daarin bestaat dus
alleen materie en wordt geest
ontkend, ter zijde geschoven
en/of
belachelijk gemaakt.
Zelfs in de
zogenaamde geesteswetenschappen, psychologie
(met als
overheersende stroming het behaviorisme)
en psychiatrie (waarin de
biologische
variant steeds meer
de overhand krijgt), wordt het
bestaan van 'geest', 'ziel', ontkend,
waardoor men respectievelijk niet
verder wil en kan gaan dan:
een uiterlijke
gedragsaanpassing en/of
onderdrukking in
een inwendige chemische oorlogsvoering.
‘Iedereen’ kan om ons heen (en in zichzelf) de gevolgen zien
van die
ontheiliging
van
het gewone.
Wat nu pas echt goed
zichtbaar wordt,
is dat er allerlei grenzen
zijn
overschreden
en dat de meeste nieuwe
ontwikkelingen
met het oplossen
van oude
problemen, nieuwe
schiepen.
Er is bijvoorbeeld
nog nooit in de geschiedenis een
tijd
geweest,
waarin een,
ogenschijnlijk bevoorrecht, klein deel
van de
wereldbevolking
in
zo’n overweldigende uiterlijke rijkdom leefde.
Tegelijkertijd
wordt dáárdoor voor tweederde van de mensen
een menswaardig bestaan zo goed als onmogelijk
gemaakt
en slaat bij dat ‘bevoorrechte’ deel de geestelijke armoede toe.
Getuigen van
die bewustzijnsarmoede in de rijke wereld
zijn:
L de enorme zelfdodingscijfers (daar wordt zo min mogelijk
publiciteit aan
gegeven),
L
het
alsmaar
groeiende leger
van psychisch zieken,
L de vervreemding, ont-aarding, van
grote delen
van de
bevolking,
L het om zich heen
slaande vandalisme
en
de toenemende criminaliteit,
L
de feitelijke weigering
de armoede
elders, en de eigen rol daarin,
werkelijk aan te pakken
L
en
het
toenemende
gebrek aan respect voor
LEVEN.
De
natuurwetenschap beschrijft niet de natuur, maar slechts
de telbare,
meetbare,
materiële aspecten daarvan. De natuur
is oneindig veel meer
dan dat. De wereld
is een
levend
organisme en geen becijferbaar
leefgebied voor een
‘werkelijkheid’ die
functioneert als een machine.
-
Een
wetenschapper die een ratje ontleedt, gaat toch niet
beweren dat daar op tafel
een rat ligt, omdat alle losse
onderdelen daar ‘mooi’ op een rij liggen. Wat
een
rat
tot een rat maakt, zijn die samenstellende delen in een
bepaald verband
plus
nog iets; (laten we het voorlopig
energie noemen). Over dat
meest wezenlijke
aspect van
het rat zijn, weet die ‘natuurwetenschap‘ h e l e m a a l niets.
-
Een hersenwetenschapper kan meten welke chemische stoffen
er in mijn hersenen
actief zijn, welke er ontbreken, of in een
erg hoge dosering aanwezig zijn en
welke transmitters
functioneren, enz. (En hoewel hij mij helemaal niet
kan
vertellen
of die staat van materieel functioneren de oorzaak
of het gevolg van processen
is,
wordt vanuit een
materialistisch standpunt ‘automatisch’ verondersteld dat
daar
de oorzaak van veel disfunctioneren ligt.)
Fundamenteler echter is, dat hij
mij met
al dat meet-weten
niet
kan vertellen wat de inhoud is van mijn denken en voelen,
hetgeen voor mij veel essentiëler is. Het enige wat hij kan
waarnemen (ook al
bevindt zich dat ín mij) is dus
oppervlakte, uiterlijkheid,
materie. Dit soort
oppervlakkige ‘wetenschap’ (omdat zij zich
alleen bezig
houdt met wat ik
verderop de buitenkant van de
werkelijkheid ga noemen) is ten ene male
ongeschikt om
diepte, betekenis, geest, zelfs maar waar te nemen.
Vaak
voegt men aan de pretentie 'wetenschappelijk' dan ook nog
het bijvoeglijke naamwoord 'objectief' toe. De
werkelijke
betekenis van dat woord is
object-achtig, voorwerp-achtig.
In
zoverre zou je
dat woord dus op
zijn plaats kunnen noemen,
maar feitelijk pretendeert men met
het
gebruik
hiervan iets geheel
anders. Men hecht aan dit adjectief een
absoluut
waardeoordeel.
Iets dat ‘objectief natuurwetenschappelijk’
is vastgesteld,
wordt
gezien voor de gehele en enige
waarheid.
Daartegenover wordt iets
dat subjectief (= mens-achtig) is ervaren,
maar als van
een lagere
orde beschouwd en in de ergste gevallen als
onzin weggezet.
Deze
materiewetenschap levert zelf het bewijs van haar geloofachtige
karakter. In de loop
van de geschiedenis is het herhaalde malen
voorgekomen dat iets dat objectief
natuurwetenschappelijk als
bewezen gold, later moest worden herzien. Het is
komisch
(of triest)
om te zien hoe nu nog steeds de aanhangers van dat materialisme zich
aan
verouderde opvattingen vastklampen, terwijl mensen als Bohr,
Einstein, Planck,
Heisenberg,
e.v.a. al lang 'natuurwetenschappelijk'
hebben 'aangetoond' dat die materie in
essentie zó ‘niet
bestaat’.
(Let wel; we hebben het hier over Nobelprijswinnaars voor
de
natuurkunde, het
neusje van de zalm op hun vakgebied.)
Het
behoudende deel van onze samenleving probeert dat verouderde
en inadequate
wereldbeeld hoog te houden met verwijzing naar
‘de oude natuurwetenschap'. Maar de
moderne
fysica heeft
dat mechanistische,
materialistische pad, zei het schoorvoetend
en
met strijd, al
geruime
tijd verlaten en is steeds dichter uitgekomen
bij het esoterische
wereldbeeld, waaraan
een allesomvattende
en
dus universeel
ecologische kijk op de levende wereld ten
grondslag ligt.
In de eerste helft van
de 20ste eeuw deden natuurwetenschappers
die zich bezig hielden met
sub-atomair-onderzoek een aantal ook voor
hen aanvankelijk verbijsterende
ontdekkingen, o.a.:
[
Enige korte verdere uitleg
hierover volgt verderop op de pagina
]
-
Materie is niet meer en niet minder dan verdichte
energie, die, indien tot in
de
kleinste dimensies
onderzocht, uiteindelijk één grote leegte te ‘zien’
geeft
(een atoom is veel meer leegte (99,9999%) dan
materie en
dat geldt ook steeds voor haar
onderdelen).
-
Waardevrije waarneming bestaat niet; afhankelijk van
de vóóronderstellingen
waarmee men onderzoekt,
vindt men, óók in het gebied van het exacte en
meetbare (zie de discussie over golven of deeltjes
en het onzekerheidsprincipe).
-
De
basis van al het bestaande is bewustzijn (eenvoudig
aantoonbaar in
interferentiepatronen van licht en in
draairichtingsmanipulatie van
paarvormige
subatomaire deeltjes).
Dat bracht een enorme schokgolf teweeg binnen de natuurkunde en
een hevige
strijd.
Uiteindelijk is de moderne fysica een beschrijving
van 'de werkelijkheid’ gaan
hanteren die verbluffend veel overeen-
komsten vertoont met verklaringen van personen met de mystieke
diepte-ervaringen (en die verklaringen zijn vaak al 2½- tot
3-duizend
jaar oud).
Wie een klein beetje thuis is in oude
Boeddhistische en Hinduïstische en
Indiaanse en
Christelijk mystieke
geschriften, herkent de ontdekkingen van de moderne
natuurkunde
daarin. De meeste moderne natuurkundigen hebben het idee dat er
alleen
geestloze materie
bestaat, al meer dan 50 jaar laten varen.
De meeste techneuten, die zichzelf
vaak ten
onrechte wetenschappers
noemen, en vrijwel alle menswetenschappers en 'gewone'
burgers
zijn, vanuit gebrek aan inzicht in de ontwikkelingen in de fysica, vast
blijven
houden aan een verouderd denken over wat werkelijkheid is.
§ 3. Spiritualiteit
Veel
mensen hebben zich in de afgelopen decennia afgekeerd
van de
hen onderdrukkende,
beperkende godsdiensten.
Dat is voor velen
een pijnlijke worsteling geweest.
Voor anderen
was het de bijna
vanzelfsprekende uitkomst van een toenemende
‘wetenschappelijke’
benadering van de werkelijkheid.
Omdat de termen godsdienst en
religie en
spiritualiteit ten
onrechte
als inwisselbaar worden
beschouwd, keerden zij zich af
van een terrein,
waarvan zij
in feite
de werkelijke inhoud niet kenden.
Ook op dit moment wordt er
onder de noemer van spiritualiteit
allerlei trala verkocht aan goedgelovigen.
Dat gebeurt zowel in de
(overheersende) stromingen van de gevestigde
godsdiensten als in
wat algemeen op één hoop geveegd wordt als alternatieve
gezondheidszorg of “New Age”. Het
is
begrijpelijk dat kritische
mensen zich dáár van afkeren. Maar van
mensen die
tot de jaren
des onderscheids gekomen zijn, zou je
volgens mij mogen
verlangen dat ze in
staat zijn
onderscheid te maken,
of bereid zijn
dat te leren, tussen
enerzijds afhankelijkheid
bevorderende
'mumbo-jumbo'-rituelen en
anderzijds
inzicht gevende en
bewustzijnsverruimende en
vrijheid
bevorderende en
zelfverantwoordelijkheid stimulerende activiteiten.
We
weten toch dat generaliserende
schijnbewegingen
meestal dienen om
verantwoordelijkheden te ontlopen
(Bijv. ‘alle politici zijn
toch corrupt’,
ontslaat zgn.
van de verantwoordelijkheid om energie te steken
in het
maken van
onderscheid
en bewuste keuzes).
Toen ik zelf in mijn
pubertijd (late jaren ’50) in de gaten kreeg
hoe de
(katholieke) kerk zich
in het verleden misdragen had,
zich meestal had
opgeworpen als verdediger van onrechtvaardige
maatschappelijke
verhoudingen en nog steeds volharde in die houding,
heb ook ik
alles
wat met geloof te maken had, overboord gezet.
Enige jaren later werd
ik
op de
Pedagogische Academie
geconfronteerd met een Karmeliet
die ‘moderne theologie’
doceerde.
Van al mijn docenten toen was hij
(dus nota bene een kloosterling)
de
enige
persoon die “het” had; leven,
begeestering en persoonlijke
én maatschappelijke betrokkenheid.
Als gevolg daarvan ben ik gaan
onderzoeken wat de diverse religies nu
in
feite bedoelen
en/of praktiseren. Dat heeft mij doen begrijpen dat
de basisinspiratie
ervan
steeds eenzelfde
diepe persoonlijke ervaring,
een realisatie
van éénheid, niet als theorie maar
als ervaring, is geweest.
Een ervaring die, gezien de vele uitspraken in
verscheidene mystieke
geschriften, volledig aansluit bij de ontdekkingen van de moderne
fysica uit de vorige
paragraaf. Let wel er is een levensgroot verschil
tussen theoretisch begrip van eenheid en geest enerzijds en de ervaring
van die diepten. Personen
met deze diepte-ervaring,
met dit binnendoor contact met de kern van de
werkelijkheid,
die in
mensen in hun omgeving slechts oppervlakkigheid waarnamen,
hebben
meestal geprobeerd ook anderen tot grotere diepte aan te sporen.
Maatschappelijk gezien is dat meestal als een groot gevaar beschouwd,
omdat
mensen die leven vanuit diepte niet meer zo makkelijk
te
manipuleren zijn.
Velen van hen zijn dan ook vermoord. In vrijwel
alle geloofssystemen die
volgden, is de aanvankelijke focus op groei
naar die persoonlijke ervaring die
vrij maakt, verworden tot machts-
politieke instituten die die vrijmaking nu net
zijn gaan blokkeren.
In plaats van het
stimuleren van zelfonderzoek, vrijheid, creativiteit en
persoonlijke groei, is
men mensen in de meeste gevallen een kleuter-
surrogaat voor religie gaan
voorhouden. (Religie is
in mijn definitie
gericht op de
ervaring
van Geest, van verbondenheid, van
éénheid van
al het
bestaande;
van de universele ecologie.) Op die manier waren
mensen
namelijk het
eenvoudigst af te
houden van een werkelijk
zelfstandige
en kritische en dus ook verantwoordelijke
houding.
Dat past natuurlijk
uitstekend bij de wens van een meerderheid om
verantwoordelijkheden
buiten zich te plaatsen, over te dragen aan
anderen,
om rustig te kunnen
blijven
slaapwandelen. In plaats van
eigen onderzoek
kwamen geloven
en goedgelovigheid en in het
verlengde daarvan manipulatie
en
onderdrukking. Met het toenemen
van scholing
onder bredere lagen
van de bevolking werd het echter
voor velen steeds
eenvoudiger om
allerlei drogredeneringen te
ontmaskeren. Daarbij werd veel
mensen
duidelijk in wat voor
onnatuurlijk keurslijf (keurslijk)
ze vele jaren
hadden vast gezeten en
hoeveel pijn en moeite en strijd het hen
kostte
om zich
daaruit los te
maken. Dat leidde terecht tot een massale
uittocht uit díé
status quo.
Daar komt nog bij dat
steeds meer mensen gingen ontdekken dat nogal
wat ‘geestelijken’ zelf
niet leefden naar wat zij preekten. In de ergste
gevallen bleken ‘liefhebbende’
pastoors,
dominees, broeders en zusters
anderen regelrecht te misbruiken. Getuige daarvan
zijn o.a. de
vele aan
hen toevertrouwde kinderen die door leden uit die groepen, seksueel
misbruikt of psychisch mishandeld zijn. (In mijn praktijk als therapeut
kom ik
daar nogal wat schrijnende gevallen met langdurige gevolgen
van tegen.)
Het is m.i. veelbetekenend,
dat het "Onze vader"
zoals wij dat hier kennen zeer sterk afwijkt van
de oorspronkelijke tekst in het Aramees
(Taal van Jezus van Nazareth).
Daar luidt de eerste regel als volgt:
"Bron van zijn die ik ontmoet,
in
wat mij ontroert." |
Omdat zichtbaar was dat
‘alle’ ‘godsdiensten’ eenzelfde infantiel
vluchtpatroon en schijnzekerheid en afhankelijkheid propageerden,
bleef er weinig anders over dan zich
volledig af
te keren van alles wat
met ‘religie’ te maken had en zich helemaal op iets
anders te richten.
Dat werd voor de
meerderheid van de bevolking, aangespoord door
de overweldigende
resultaten van de techniek, een volledige en
eenzijdige gerichtheid op consumeerderen, op
materiële zaken, omdat
dat oppervlakkige instantbevrediging schenkt en helpt om
te blijven
‘slapen’ (Verderop wordt duidelijk waarom dat voor velen zo
verkozen
wordt boven wakker worden.). De wetenschap had immers
‘bewezen’ dat er alleen
materie bestaat; geest,
spiritualiteit was iets
voor achterblijvers.
Een minderheid liet zich
op een andere manier verleiden om
oplossingen ‘veilig’ buiten zichzelf
te zoeken, door anderen te
bestrijden en te vertellen hoe zíj het beter moesten
doen; wij
werden maatschappelijk actief.
Slechts een klein gedeelte
uit beide groepen is bezig geleidelijk aan
te ontdekken dat ze mét de verstarde en manipulatieve structuren en
misvormde en misvormende ideologieën ook iets wezenlijks hadden
weggeworpen. Het hoort bij een natuurlijke ontwikkeling van mensen
dat zij zich op een gegeven moment in hun leven gaan afvragen:
“Wie ben ik
eigenlijk in essentie ?”
“Wat is de zin
van dit alles ?”
“Waartoe leidt
dit ?”
Dat zijn bij uitstek vragen naar diepte; spirituele vragen.
Omdat de instituties die zeggen daar een antwoord op te
hebben,
intussen
elke geloofwaardigheid hebben verloren en mensen vreselijk
achterdochtig hebben
gemaakt,
kunnen grote groepen zich veelal niet
openen voor de zich aandienende ‘nieuwe’
mogelijkheden voor het
vinden van antwoorden.
 Uit
de bijbel kennen we een mooi symbolisch verhaal.
Adem en Eva worden uit het paradijs
Essentie
gegooid, omdat ze hebben
"negatief"
gegeten van de ‘boom van
kennis van goed en kwaad’.
"positief"
In dat verhaal wordt in feite
beschreven wat ieder mens
meemaakt. Vanaf
de leeftijd
van de baby gaan opgroeiende
mensen
onderscheid maken
tussen positief en
negatief
[overeenkomstig de (voor)oordelen
van de samenleving waarin ze opgroeien]. Om
in
deze wereld
te kunnen leven is dat ook nodig.
Jammer is, dat zij
die
onderscheidingen gaan aanzien voor scheidingen. Wat er
dan
gebeurt
is, dat men in zichzelf het zogenaamde negatieve gaat
verbergen en het
positieve aan de buitenwereld gaat tonen
(en als het er niet echt is, gaat
veinzen).
Wanneer men nu
op zoek
gaat naar zijn essentie, zijn kern,
naar binnen gaat dus, dan komt men
allereerst in
zichzelf tegen wat
men (als kind) negatief
heeft leren noemen (angsten, agressie,
driften,
uitbundigheid, enz., enz.)
en wat men derhalve liever niet
(meer) ervaart.
Bij
onvoldoende inzicht in de rol
die dat speelt in bewustwordings-
processen, wordt hier gestopt met echt
zelfonderzoek en
gaat men
weer over tot de oude gewoonte; het projecteren op anderen van wat
men
niet
in zichzelf onder ogen wil / kan zien.
|