
Op
deze pagina vindt u de
samenvattingen
van drie onderzoeken
die voor de beroepsvereniging (NVRT) zijn uitgevoerd door
Dr. v.d. Maesen. Verder een kort verslag van een Portugees onderzoek.
Via deze bladwijzers kunt
u rechtstreeks naar het betreffende onderzoek.
   
1.
Het
Satisfactie-onderzoek van de NVRT
Samenvatting
In het begin van de jaren tachtig kwam de ontwikkeling
van reïncarnatietherapie
goed op gang door de start
van een specifieke opleiding voor
reïncarnatietherapeuten.
Reïncarnatietherapie is een vorm van psychotherapie
waarbij de tijdens het
therapeutisch proces
bij de cliënt opkomende herinneringen uit dit leven
maar
ook die uit zogeheten vorige levens
serieus genomen worden als
voor
therapeutische bewerking geschikt materiaal.
Door de toen inmiddels vijf jaar oude
beroepsvereniging
van reïncarnatietherapeuten (NVRT) werd in november 1991
aan
haar onderzoeksbureau opdracht gegeven onderzoek te doen
naar de satisfactie
over de therapie na beëindiging ervan.
In het kader van haar
professionaliseringsbeleid
wordt onderzoek door de NVRT beschouwd
als een
belangrijk instrument bij kwaliteitsverbetering.
Ook draagt onderzoek bij tot
grotere openheid en bekendheid
en daarmee tot bredere maatschappelijke
acceptatie.
Satisfactie wordt in dit onderzoek beschouwd
als een mate van tevredenheid, met inbegrip van genoegdoening.
Deze
genoegdoening is de uitkomst van de vergelijking
van het therapieresultaat met
de daarin gedane investering
van tijd, geld en vooral verwachting.
Een
prominente plaats in de resultaatbeoordeling
wordt dan ook ingenomen door het
effect op de hulpvraag
waarmee de cliënt zich voor therapie gemeld heeft.
Aan het onderzoek werkten 32 beroepsleden van
de NVRT mee.
Met hen was afgesproken dat van alle cliënten
die zich in 1992 voor
therapie zouden aanmelden
een intakekaart met gegevens van deze cliënt,
diens
klacht of probleem en het therapieverloop
zou worden ingevuld en naar het
onderzoeksbureau gestuurd,
uiteraard na verkregen toestemming van de betreffende
cliënt.
Aan 393 van 409 cliënten, van wie een intakekaart was ingestuurd,
werd
een vragenlijst (fase 1) verzonden. In de begeleidende brief
werd een
vertrouwensgarantie gegeven.
Ruim 85% reageerde;
deze groep kwam in aanmerking voor vragenlijst fase 2,
die
zes maanden na de response op de vragenlijst fase1 werd verstuurd.
Ook nu was de
reactie groot (87%).
Satisfactiemeting heeft in dit onderzoek
plaatsgevonden door:
18 stellingen op formulier fase 1, grotendeels overgenomen
van een onder RIAGG-cliënten in 1991 gehouden onderzoek;
vragen over het resultaat van de therapie in termen van de grootte
van de
probleemreductie, in beide vragenlijsten fase 1 en 2 gesteld;
een door de cliënt toe te kennen waarderingscijfer aan de therapie
en wel zes
maanden na beëindiging ervan.
Op de probleemreductievraag in fase 2
werd
door 253 van de 301 responderende cliënten een direct
en daardoor vergelijkbaar
antwoord gegeven.
Meer dan de helft van hen meldde geheel of grotendeels
van hun
problemen verlost te zijn (ruim zes maanden
na beëindiging van de behandeling)
en een kwart
gaf op 'enigszins verminderd'. Het waarderingscijfer
(schaal 0-10)
kwam uit op 7,7 gemiddeld.
Genoemde resultaten werden bereikt in 6,2
sessies (gemiddeld),
overeenkomend met 15 uur therapie
en een behandelingsduur
van 1½ maand.
Het therapieresultaat alsmede de voor
psychotherapie
relatief korte duur van de behandeling
én de door cliënten
aangegeven duurzaamheid van het effect
verdienen aandacht van de gezondheidszorg
en zijn hoopgevend voor hulpzoekenden.
Amstelveen, 1 januari 1994
Onderzoeksbureau NVRT: Ronald van der
Maesen.
Het volledige en in 2003 bijgewerkte
onderzoeksrapport kunt u bij het
verzendburo van de vereniging
bestellen.
(verzendbureau@reincarnatietherapie.nl
© 1993-2004 Nederlandse Vereniging van
Reïncarnatietherapeuten

2.
Reïncarnatietherapie
bij patiënten met
het syndroom Gilles de La Tourette
Naar aanleiding van advertenties en artikelen
in enkele kranten- en tijdschriften hebben 21 personen,
die voldeden aan de
diagnostische criteria
van het syndroom Gilles de la Tourette (GTS),
zich gemeld
voor een onderzoek naar de effecten
van reïncarnatietherapie (RT) bij patiënten
met dit syndroom.
Aanmelding geschiedde door het invullen van een verzoek
tot deelname, een lijst
met persoonsgegevens en twee vragenlijsten.
De Inventarislijst Dagelijkse
Bezigheden (IDB) is bedoeld
om de mate van de vaak met GTS geassocieerde
dwangverschijnselen
vast te stellen. De GTS-symptoomlijst vraagt naar de
frequentie
van motorische en vocale tics en de sociale gevolgen
van het syndroom
voor GTS-patiënten.
De beide vragenlijsten zijn samengevoegd.
Van de 21 voor dit onderzoek aangemelde
cliënten,
waaronder 10 mannen, 4 vrouwen en 7 kinderen
(jongens van 9 tot 15
jaar),
hebben zich vier om uiteenlopende redenen
voor het begin van de
behandeling teruggetrokken
en zijn 17 in therapie gegaan bij beroepsleden van de
Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT)
in een van de periodes
april/juli (therapiegroep)
of september/december 1995 (controle- of
wachtlijstgroep).
Over de bij de nameting (augustus 1995) geconstateerde
verschillen
tussen de beide groepen is eerder gerapporteerd
(Van der Maesen,
1995b).
Van de 17 cliënten die in therapie zijn gegaan,
hebben 6 (35%) deze voortijdig,
en wel na 1 tot 7 sessies, afgebroken.
Bij twee
van hen was het motief van financiële aard
(eigen bijdrage en reiskosten) en bij
een derde
de door cliënt ervaren psychische belasting.
Een cliënt brak af op
aandringen van een der ouders,
een ander omdat er verschil van inzicht bleek
over de juistheid van de GTS- diagnose
en de zesde zag niet snel genoeg
resultaat.
Aan 11 cliënten (4 mannen, 1 vrouw en 6
jongens),
die naar het gezamenlijk oordeel van therapeut en cliënt
de therapie
hadden voltooid, of het in het protocol genoemd
maximum aantal sessies van 12
hadden bereikt,
werden na afloop van de therapie voor de tweede maal
de IDB en
de GTS- symptoomlijst voorgelegd.
Bovendien werd aan deze cliënten gevraagd
om
een oordeel te geven over het therapieresultaat
en een waarderingscijfer toe te
kennen voor de kwaliteit van RT.
Tevens werd hen een satisfactie-vragenlijst
voorgelegd,
naar het model van een onderzoek uit 1991
onder 'Cliënten van de
RIAGG'.
Ook aan een 'belangrijke andere' in het leven van de cliënt
werd een
oordeel gevraagd over het therapieresultaat,
met name terzake van eventuele ticreductie.
De vergelijking van de gemiddelde scores op de
IDB
voor en na de therapie laten een daling zien van 77,8 naar 66,7
bij genoemde
11 cliënten. De individuele scores geven aan
dat bij 9 cliënten (82%) de
dwangverschijnselen zijn afgenomen.
Op de GTS-symptoomlijst daalde de gemiddelde
score
van 19 naar 13 en was er bij 10 cliënten (91%)
sprake van enige tot
aanzienlijke verbetering in de scores
bij de vergelijking voor en na de
therapie.
Op de vragenlijst 'oordeel over het
therapieresultaat'
kon door cliënt eventuele wijziging in ticfrequentie
worden
aangegeven.
Bij 8 cliënten (73%) is er sprake
van een vermindering van motorische tics.
Van
hen zeggen 5 cliënten geheel of grotendeels
van hun tics verlost te zijn. De
gemiddelde ticreductie
(motorische tics) van 8 genoemde cliënten bedraagt 55%.
Ook terzake van vocale tics melden 8 cliënten (73%) ticreductie;
van hen
zeggen vier geheel of grotendeels van de tics verlost te zijn.
De gemiddelde
ticreductie van genoemde 8 cliënten
bedraagt 66% (vocale tics).
Van de vier cliënten
die geen ticreductie melden geven twee aan
dat de therapie
een andere betekenis voor hen heeft gehad
en wel een vermindering van agressief
en dwangmatig gedrag.
Het oordeel van de 'belangrijke andere' terzake van
ticreductie
verschilt weinig met dat van de cliënt.
Alle cliënten voldeden aan het verzoek
om een
waarderingscijfer voor de kwaliteit van RT toe te kennen.
Vier cliënten gaven
het cijfer 8, een maal 8½, twee maal 9
en vier maal 10, zodat het gemiddelde
cijfer uitkomt op het cijfer 9.
De scores op de satisfactielijst zijn
gunstiger dan in het RIAGG-onderzoek.
Het feit dat van de 11 cliënten die de
therapie voltooiden
bijna de helft beweert geheel of grotendeels
van de
motorische en vocale tics verlost te zijn,
terwijl sommigen al 25 tot 35 jaar
door hun tics gehinderd worden,
mag als een positieve onderzoeksuitkomst
getypeerd worden,
te meer omdat hier sprake is van een 'usually lifelong
syndrome' (APA, 1994).
De door de cliënten gemelde effecten
op de kernsymptomen en geassocieerde verschijnselen,
alsmede de hoge satisfactie- en
waarderingscijfers
rechtvaardigen bijzondere belangstelling
voor
reïncarnatietherapie van GTS- patiënten
en haar patiëntenbelangenvereniging in
het bijzonder
en van de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen.
Amstelveen, maart 1996, Ronald van der Maesen
Meer informatie over het onderzoek is te
verkrijgen bij
Ronald van der Maesen, of
via het NVRT-Informatie- en Documentatiecentrum, tel. 0653-564 223 (106 cpm).
© 1993-2004 Nederlandse Vereniging van
Reïncarnatietherapeuten

3.
Reïncarnatietherapie voor
stemmenhoorders:
Effect- en procesonderzoek
In de jaren 1996 t/m 1999 is door Drs. R.van
der Maesen (psycholoog)
onder begeleiding van de Universiteit van Amsterdam
in
een promotieonderzoek het effect van reïncarnatietherapie
onderzocht bij een
groep mensen die hinder hebben
van stemmen zonder aanwijsbare bron.
Onder hen
was een aantal ambulante psychiatrische patiënten;
anderen hadden geen
psychiatrische stoornis.
In onderstaande samenvatting worden opzet, verloop
en
resultaten van het onderzoek weergegeven.
Daaraan toegevoegd is een conclusie
uit de recensie
op het onderzoeksverslag, gepubliceerd in Klankspiegel,
een
uitgave van de Stichting Weerklank,
de belangenvereniging van stemmenhoorders.
Voor een evaluatieonderzoek naar het effect
en
het proces van reïncarnatietherapie
bij mensen die gehinderd worden door stemmen
uit niet waarneembare bron (auditieve 'hallucinaties')
werden via advertenties en
een patiëntenbelangenvereniging
stemmenhoorders opgeroepen.
Voor dit onderzoek, een promotieonderzoek
begeleid door de Vakgroep Klinische Psychologie
van de
Universiteit van Amsterdam,
meldden zich 57 stemmenhoorders. Van hen voldeden 54
aan de insluitingcriteria, die geënt waren op
auditieve hallucinaties in
schizofrenie
volgens de Diagnostic and Statistical Manual, de DSM-IV.
Deze
criteria zijn gekozen om mensen aan te trekken
die al geruime tijd gehinderd
werden door stemmen
en daarvan verlost wilden worden.
De aanmelding voor dit
onderzoek is bovendien
een indicatie dat zij onvoldoende baat hebben
bij
bestaande behandelmethoden.
Van de 57 respondenten meldden 38
een lopende
behandeling bij een psychiater
of psychiatrische kliniek en 8 bij de RIAGG.
In
32 gevallen was er sprake van een medicamenteuze behandeling,
voornamelijk met antipsychotica.
Naast vragenlijsten voor het verzamelen
van demografische
gegevens en gegevens
over de mate van ernst van de problematiek
van het horen
van stemmen, vulden de respondenten
de algemene klachtenlijst SCL-90 in
en
ondertekenden zij een akkoordverklaring
(informed consent) met de inhoud van
het onderzoeksprotocol.
Voor de behandeling van de stemmenhoorders
hadden zich 60 leden van de Nederlandse Vereniging
van Reïncarnatietherapeuten
(NVRT),
de sponsor van dit onderzoek, beschikbaar gesteld.
Zij waren bereid een
gratis intakeinterview af te nemen
en maximaal 12 sessies van 2 tot 2½ uur te
doen
tegen een sterk gereduceerd honorarium.
De 54 stemmenhoorders die voor
therapie in aanmerking kwamen,
werden gerandomiseerd toegewezen
aan een van de
twee condities in het onderzoek.
Een groep, de experimentele groep, kreeg
therapie aangeboden
in de periode september 1996 tot januari 1997.
De andere
groep, de controlegroep,
kwam op een wachtlijst, met een toezegging van therapie
in de periode februari 1997 tot juli 1997.
Van de 27 cliënten in de
experimentele groep
hebben drie cliënten zich niet voor therapie gemeld
wegens
een heropname in een psychiatrisch kliniek
en konden twee cliënten naar het
oordeel van de therapeut
zonder psychiatrisch vangnet niet in behandeling
worden genomen.
Een andere cliënt trok zich terug
wegens gebrek aan vertrouwen
in psychotherapie.
Van de 21 resterende cliënten in de experimentele groep
hebben 7 cliënten de therapie na een of enkele sessies afgebroken,
in 2 gevallen
op initiatief van de behandelaar.
De overige 14 cliënten hebben de therapie
overeenkomstig het protocol afgerond. Vijf van hen
hebben twee tot acht
vervolgsessies gedaan.
In de wachtlijstperiode werd ook de controlegroep
uitgedund.
Een cliënt overleed na een heropname in een psychiatrische kliniek.
Zes anderen trokken zich terug om diverse redenen,
onder andere financiële
redenen.
Het effect van reïncarnatietherapie is
onderzocht
in een uitkomstonderzoek. In dit onderzoek is gekeken
naar de
statistische en naar de klinische significantie van de resultaten.
De
statistische significantie werd onderzocht
met behulp van de algemene
klachtenlijst SCL-90,
die door alle respondenten in de voormeting was ingevuld
en voor de tweede maal aan zowel de behandelde cliënten
in de experimentele
groep als aan de cliënten
in de controlegroep werd voorgelegd.
Met behulp van
een variatieanalyse
werd een statistisch significant verschil (p =.005)
en dus
een verbetering in algemene klachten
ten gunste van de experimentele groep
vastgesteld.
Na deze meting hebben 20 cliënten uit de controlegroep
zich gemeld
voor therapie. Twee van hen
konden niet in behandeling worden genomen
zonder
een psychiatrisch vangnet; een derde cliënt trok zich terug.
Vier cliënten
hebben de therapie voortijdig beëindigd
en dertien hebben de therapie afgerond.
Drie cliënten uit de controlegroep hebben 2 tot 5 vervolgsessies gedaan.
Voor de bepaling van de klinische betekenis
(significantie)
van de therapie voor 27 cliënten uit de beide groepen
die de
therapie hebben afgerond werd,
naast de klachtenlijst SCL-90, gebruik gemaakt
van andere,
voor dit onderzoek ontwikkelde vragenlijsten.
Een van deze
vragenlijsten had betrekking op cliënts oordeel
over de therapie en de eventuele
wijziging
van het probleem stemmenhoren. Een andere vragenlijst
ging over de
mate van satisfactie van de cliënt
over de behandeling en het
therapieresultaat.
Aan een externe beoordelaar, een psychiater,
verbonden aan de
RIAGG, was gevraagd
zich een oordeel te vormen over het therapieresultaat
door het afnemen van posttherapeutische interviews.
De SCL-90 is zes maanden na de afronding
van
de behandeling aan alle cliënten voorgelegd:
14 van de 27 behandelde
stemmenhoorders scoorden
een significante verbetering. Er was sprake van
'significant'
als de individuele scores in voor- en nameting
een positief
verschil vertoonden van één standaarddeviatie
van de gehele groep. Uitgaande
van de normscores
voor psychiatrische patiënten en voor 'normalen' op de SCL-90
zijn elf cliënten in hun klachtenscores 'verschoven'
uit de range van
psychiatrische patiënten in de range van normalen.
Op de vragenlijst 'Oordeel van cliënt over het
therapieresultaat,
zes maanden na therapiebeëindiging', gaf 52% aan
baat gehad
te hebben bij de therapie
ter zake van de hinder van de stemmen.
Vier van hen
waren sinds de therapie geheel stemmenvrij.
Voor 78% had de therapie nog een
andere, positieve betekenis.
Het gemiddelde waarderingscijfer
voor de kwaliteit
van reïncarnatietherapie
kwam uit op 7,8. Van de 21 cliënten
die op de
desbetreffende vraag een antwoord gaven,
konden 20 de therapie aanbevelen voor
stemmenhoorders.
In 25 posttherapeutische interviews
die door de externe
beoordelaar
zes maanden na therapiebeëindiging zijn afgenomen,
heeft deze zich
een oordeel kunnen vormen
over de diagnoses en over het therapieresultaat.
Als 'geschatte' diagnose meldde de externe
beoordelaar
bij 10 cliënten schizofrenie en bij nog eens 10
een andere
psychiatrische stoornis.
Als therapieresultaat werd gemeld: bij
6 deelnemers
stemmen verdwenen of sterk gereduceerd in aantal,
8 deelnemers gaan er beter mee
om
en 11 deelnemers hebben ter zake van stemmenhoren geen verbetering.
In
telefonische interviews met 25 cliënten door dezelfde beoordelaar,
één tot
anderhalf jaar na het eerste interview,
bleken de stemmen bij één stemmenvrije
cliënt weer teruggekomen,
na een afwezigheid van zes maanden. Bij de overige
cliënten
hebben zich ter zake van de stemmen
geen bijzondere wijzigingen
voorgedaan.
In het procesonderzoek is een poging gedaan
om
inzicht te krijgen in de factoren
die het resultaat hebben beïnvloed of
bewerkstelligd.
Een bijdrage daartoe is geleverd door de behandelende
therapeuten
en door vier externe beoordelaars, twee psychiaters en twee
psychologen.
Door hen is geopperd dat de meerwaarde van reïncarnatietherapie
ten
opzichte van bestaande, reguliere vormen van psychotherapie,
moet worden
gezocht in de overeenkomsten in opvatting
over metafysische verschijnselen bij
een deel van de stemmenhoorders,
met die van reïncarnatietherapeuten,
die werken
aan de hand van op die opvatting afgestemde modellen.
Ook de behandeling van en omgang met
zogenoemde
vorige-levens-herinneringen, voor zover afkomstig van cliënten
en door
hen gepresenteerd als reële ervaringen,
lijkt een specifieke factor in
reïncarnatietherapie.
Omdat vorige-levens-herinneringen in hetgeen bekend is
over
het menselijk geheugen een niet-erkend fenomeen is,
wordt aanbevolen het nog
onontgonnen gebied
van de 'impliciete herinneringen' en het 'impliciete
geheugen'
diepgaand te onderzoeken. Een eerste stap daartoe
zou zijn het
verleggen van het onderzoeksterrein
naar een vroeg stadium van de zwangerschap
om meer inzicht te krijgen in de veronderstelde
onverbreekbare relatie tussen
geheugen en hersenen.
Tenslotte wordt ook aan de sessieduur, 2 tot 2½ uur per
sessie,
klinische relevantie toegedicht.
Het derde deel van het onderzoek
betrof een
fenomenologische studie
van het verschijnsel stemmen.
Er is geen twijfel over
de ernst van de problematiek
van het horen van stemmen, die bedreigend,
angstaanjagend
en beschuldigend zijn, vaak opdrachten geven en soms aanzetten
tot automutilatief (zelfbeschadiging) en suïcidaal gedrag.
Er blijkt ook bij een
deel van de stemmenhoorders
een gehechtheid aan de stemmen te ontstaan,
leidend
tot een groeiende afhankelijkheid.
Naast de waarde van het aanleren van copingstrategieën
zou therapie zich kunnen richten op existentiële aspecten
van
de stemmen, zoals de vraag waarom
en onder welke omstandigheden
de verbinding
met de stemmen is aangegaan
en wat ertoe bijdraagt dat deze verbinding
in stand
blijft en zo moeilijk te verbreken is.
Conclusie uit de recensie van Henny
Dekker in Klankspiegel d.d.1/3/2000:
Als ik het boekje (onderzoeksverslag) lees,
krijg ik de indruk
dat vrijwel niemand schade heeft ondervonden aan de therapie
en dat de cliënten veel baat hebben gehad
bij de persoonsgerichte aanpak. De
enige kritiek
die ik zou kunnen geven is dat de therapeuten
naar keuze ofwel
reïncarnatietherapie, ofwel regressietherapie
of gewoon gesprekken hebben
gevoerd met de cliënten.
Het aantal sessies in dit onderzoek (volgens het
protocol: maximaal 12)
was ook iets te gering om veel resultaten op de lange
termijn te boeken.
Dat neemt niet weg dat het
baanbrekend is
om een dergelijke therapie toe te passen
op mensen met een
problematiek die zo ernstig is
als bij deze cliënten die uitgekozen zijn voor
dit onderzoek.
Het onderzoeksverslag is verkrijgbaar
door te bestellen
bij het verzendbureau,
veraqueva.wimtettero@kpnplanet.nl
U krijgt daar eerst meer informatie over kosten en wijze van betalen.
copyright 2004 NVRT
Ondanks dat er aanvankelijk veel tegenstand was vanuit de universitaire
wereld, is Dhr. v. d. Maesen in tussen op zijn onderzoeken gepromoveerd.
Zijn promotiewerkstuk is eveneens op te vragen via het verzendbureau
van de nVRT (zie boven).
4.
Hersenonderzoek met behulp van scans.
Professor Doctor Mario Simoes uit
Portugal is hersenspecialist.
Hij heeft onderzoek gedaan naar de stadia
van bewustzijn
tijdens herinneringen van diverse soort.
a. Hij liet studenten zich iets herinneren dat in hun jeugd
was gebeurd en
hij onderzocht studenten toen zij zeer vroege
jeugdherinneringen uit hun huidige leven herbeleefden.
Dergelijke herinneringen zijn verifieerbaar,
namelijk bij de ouders van de 'cliënt'. Tegelijkertijd maakte hij
hersenscans. Bij alle
proefpersonen
was het hersengebied dat actief was (X) hetzelfde.
b. Vervolgens liet hij de deelnemers een verhaal verzinnen
met de opdracht zich dat sterk in te beelden.
Het hersengebied
dat activiteit vertoonde
was een duidelijk ander gebied (Y).
c. Daarna liet hij de deelnemers in reïncarnatietherapie
naar een vorig
leven gaan. Daarbij beleefden zij dus
herinneringen die in een
andere tijd en in een ander
lichaam zijn ontstaan. Bij deze herbelevingen
en bij het vertellen
over die ervaringen vertoonden
de hersenen activiteit in het zelfde gebied (X) als waar
de
verifieerbare herinneringen zaten en dus niet in het
fantasiegebied.
|