"De Hartspiegel"  

       Start Omhoog     Reinc.T-onderzoek
                                        

 

Therapieen
Achtergrond
Wie is "Ik" ?
Therapeuten
Cursussen & Lezingen
Tarieven & vergoedingen
Artikelen
Literatuur

 

Therapieen
Achtergrond
Wie is "Ik" ?
Therapeuten
Cursussen & Lezingen
Tarieven & vergoedingen
Artikelen
Literatuur

 

Therapieen
Achtergrond
Wie is "Ik" ?
Therapeuten
Cursussen & Lezingen
Tarieven & vergoedingen
Artikelen
Literatuur

 

Therapieen
Achtergrond
Wie is "Ik" ?
Therapeuten
Cursussen & Lezingen
Tarieven & vergoedingen
Artikelen
Literatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Therapieen
Achtergrond
Wie is "Ik" ?
Therapeuten
Cursussen & Lezingen
Tarieven & vergoedingen
Artikelen
Literatuur

(Contact: dehartspiegel@tele2.nl    -   077-4771898 )

Op deze pagina vindt u de samenvattingen van drie onderzoeken
die voor de beroepsvereniging (NVRT) zijn uitgevoerd door
Dr. v.d. Maesen.  Verder een kort verslag van een Portugees onderzoek.
 

 



Via deze bladwijzers kunt u rechtstreeks naar het betreffende onderzoek.

1.

Het Satisfactie-onderzoek van de NVRT

Samenvatting


In het begin van de jaren tachtig kwam de ontwikkeling
van reïncarnatietherapie goed op gang door de start
van een specifieke opleiding voor reïncarnatietherapeuten.
Reïncarnatietherapie is een vorm van psychotherapie
waarbij de tijdens het therapeutisch proces
bij de cliënt opkomende herinneringen uit dit leven
maar ook die uit zogeheten vorige levens
serieus genomen worden als
voor therapeutische bewerking geschikt materiaal.
 

Door de toen inmiddels vijf jaar oude beroepsvereniging
van reïncarnatietherapeuten (NVRT) werd in november 1991
aan haar onderzoeksbureau opdracht gegeven onderzoek te doen
naar de satisfactie over de therapie na beëindiging ervan.
In het kader van haar professionaliseringsbeleid
wordt onderzoek door de NVRT beschouwd
als een belangrijk instrument bij kwaliteitsverbetering.
Ook draagt onderzoek bij tot grotere openheid en bekendheid
en daarmee tot bredere maatschappelijke acceptatie.
 

Satisfactie wordt in dit onderzoek beschouwd
als een mate van tevredenheid, met inbegrip van genoegdoening.
Deze genoegdoening is de uitkomst van de vergelijking
van het therapieresultaat met de daarin gedane investering
van tijd, geld en vooral verwachting.
Een prominente plaats in de resultaatbeoordeling
wordt dan ook ingenomen door het effect op de hulpvraag
waarmee de cliënt zich voor therapie gemeld heeft.
 

Aan het onderzoek werkten 32 beroepsleden van de NVRT mee.
Met hen was afgesproken dat van alle cliënten
die zich in 1992 voor therapie zouden aanmelden
een intakekaart met gegevens van deze cliënt,
diens klacht of probleem en het therapieverloop
zou worden ingevuld en naar het onderzoeksbureau gestuurd,
uiteraard na verkregen toestemming van de betreffende cliënt.
Aan 393 van 409 cliënten, van wie een intakekaart was ingestuurd,
werd een vragenlijst (fase 1) verzonden. In de begeleidende brief
werd een vertrouwensgarantie gegeven.  Ruim 85% reageerde;
deze groep kwam in aanmerking voor vragenlijst fase 2,
die zes maanden na de response op de vragenlijst fase1 werd verstuurd.
Ook nu was de reactie groot (87%).
 

Satisfactiemeting heeft in dit onderzoek plaatsgevonden door:
18 stellingen op formulier fase 1, grotendeels overgenomen
van een onder RIAGG-cliënten in 1991 gehouden onderzoek;
vragen over het resultaat van de therapie in termen van de grootte
van de probleemreductie, in beide vragenlijsten fase 1 en 2 gesteld;
een door de cliënt toe te kennen waarderingscijfer aan de therapie
en wel zes maanden na beëindiging ervan.
 

Op de probleemreductievraag in fase 2
werd door 253 van de 301 responderende cliënten een direct
en daardoor vergelijkbaar antwoord gegeven.
Meer dan de helft van hen meldde geheel of grotendeels
van hun problemen verlost te zijn (ruim zes maanden
na beëindiging van de behandeling) en een kwart
gaf op 'enigszins verminderd'. Het waarderingscijfer
(schaal 0-10) kwam uit op 7,7 gemiddeld.
 

Genoemde resultaten werden bereikt in 6,2 sessies (gemiddeld),
overeenkomend met 15 uur therapie
en een behandelingsduur van 1½ maand.
 

Het therapieresultaat alsmede de voor psychotherapie
relatief korte duur van de behandeling
én de door cliënten aangegeven duurzaamheid van het effect
verdienen aandacht van de gezondheidszorg
en zijn hoopgevend voor hulpzoekenden.
 

Amstelveen, 1 januari 1994
 

Onderzoeksbureau NVRT:  Ronald van der Maesen.
 

Het volledige en  in 2003 bijgewerkte onderzoeksrapport kunt u bij het verzendburo van de vereniging bestellen. 
(verzendbureau@reincarnatietherapie.nl

 

© 1993-2004 Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten
 


2.

Reïncarnatietherapie bij patiënten met
        het syndroom Gilles de La Tourette

 

Naar aanleiding van advertenties en artikelen
in enkele kranten- en tijdschriften hebben 21 personen,
die voldeden aan de diagnostische criteria
van het syndroom Gilles de la Tourette (GTS),
zich gemeld voor een onderzoek naar de effecten
van reïncarnatietherapie (RT) bij patiënten met dit syndroom.
Aanmelding geschiedde door het invullen van een verzoek
tot deelname, een lijst met persoonsgegevens en twee vragenlijsten.
De Inventarislijst Dagelijkse Bezigheden (IDB) is bedoeld
om de mate van de vaak met GTS geassocieerde dwangverschijnselen
vast te stellen. De GTS-symptoomlijst vraagt naar de frequentie
van motorische en vocale tics en de sociale gevolgen
van het syndroom voor GTS-patiënten.
De beide vragenlijsten zijn samengevoegd.
 

Van de 21 voor dit onderzoek aangemelde cliënten,
waaronder 10 mannen, 4 vrouwen en 7 kinderen
(jongens van 9 tot 15 jaar),
hebben zich vier om uiteenlopende redenen
voor het begin van de behandeling teruggetrokken
en zijn 17 in therapie gegaan bij beroepsleden van de
Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT)
in een van de periodes april/juli (therapiegroep)
of september/december 1995 (controle- of wachtlijstgroep).
Over de bij de nameting (augustus 1995) geconstateerde verschillen
tussen de beide groepen is eerder gerapporteerd
(Van der Maesen, 1995b).
 

Van de 17 cliënten die in therapie zijn gegaan,
hebben 6 (35%) deze voortijdig,
en wel na 1 tot 7 sessies, afgebroken.
Bij twee van hen was het motief van financiële aard
(eigen bijdrage en reiskosten) en bij een derde
de door cliënt ervaren psychische belasting.
Een cliënt brak af op aandringen van een der ouders,
een ander omdat er verschil van inzicht bleek
over de juistheid van de GTS- diagnose
en de zesde zag niet snel genoeg resultaat.
 

Aan 11 cliënten (4 mannen, 1 vrouw en 6 jongens),
die naar het gezamenlijk oordeel van therapeut en cliënt
de therapie hadden voltooid, of het in het protocol genoemd
maximum aantal sessies van 12 hadden bereikt,
werden na afloop van de therapie voor de tweede maal
de IDB en de GTS- symptoomlijst voorgelegd.
Bovendien werd aan deze cliënten gevraagd
om een oordeel te geven over het therapieresultaat
en een waarderingscijfer toe te kennen voor de kwaliteit van RT.
Tevens werd hen een satisfactie-vragenlijst voorgelegd,
naar het model van een onderzoek uit 1991
onder 'Cliënten van de RIAGG'.
Ook aan een 'belangrijke andere' in het leven van de cliënt
werd een oordeel gevraagd over het therapieresultaat,
met name terzake van eventuele ticreductie.
 

De vergelijking van de gemiddelde scores op de IDB
voor en na de therapie laten een daling zien van 77,8 naar 66,7
bij genoemde 11 cliënten. De individuele scores geven aan
dat bij 9 cliënten (82%) de dwangverschijnselen zijn afgenomen.
Op de GTS-symptoomlijst daalde de gemiddelde score
van 19 naar 13 en was er bij 10 cliënten (91%)
sprake van enige tot aanzienlijke verbetering in de scores
bij de vergelijking voor en na de therapie.
 

Op de vragenlijst 'oordeel over het therapieresultaat'
kon door cliënt eventuele wijziging in ticfrequentie
worden aangegeven.  Bij 8 cliënten (73%) is er sprake
van een vermindering van motorische tics.
Van hen zeggen 5 cliënten geheel of grotendeels
van hun tics verlost te zijn. De gemiddelde ticreductie
(motorische tics) van 8 genoemde cliënten bedraagt 55%.
Ook terzake van vocale tics melden 8 cliënten (73%) ticreductie;
van hen zeggen vier geheel of grotendeels van de tics verlost te zijn.
De gemiddelde ticreductie van genoemde 8 cliënten
bedraagt 66% (vocale tics).  Van de vier cliënten
die geen ticreductie melden geven twee aan
dat de therapie een andere betekenis voor hen heeft gehad
en wel een vermindering van agressief en dwangmatig gedrag.
Het oordeel van de 'belangrijke andere' terzake van ticreductie
verschilt weinig met dat van de cliënt.
 

Alle cliënten voldeden aan het verzoek
om een waarderingscijfer voor de kwaliteit van RT toe te kennen.
Vier cliënten gaven het cijfer 8, een maal 8½, twee maal 9
en vier maal 10, zodat het gemiddelde cijfer uitkomt op het cijfer 9.
 

De scores op de satisfactielijst zijn gunstiger dan in het RIAGG-onderzoek.
 

Het feit dat van de 11 cliënten die de therapie voltooiden
bijna de helft beweert geheel of grotendeels
van de motorische en vocale tics verlost te zijn,
terwijl sommigen al 25 tot 35 jaar door hun tics gehinderd worden,
mag als een positieve onderzoeksuitkomst getypeerd worden,
te meer omdat hier sprake is van een 'usually lifelong syndrome' (APA, 1994).
De door de cliënten gemelde effecten
op de kernsymptomen en geassocieerde verschijnselen,
alsmede de hoge satisfactie- en waarderingscijfers
rechtvaardigen bijzondere belangstelling
voor reïncarnatietherapie van GTS- patiënten
en haar patiëntenbelangenvereniging in het bijzonder
en van de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen.
 

Amstelveen, maart 1996, Ronald van der Maesen
 

Meer informatie over het onderzoek is te verkrijgen bij Ronald van der Maesen, of via het NVRT-Informatie- en Documentatiecentrum, tel. 0653-564 223 (106 cpm).
 

© 1993-2004 Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten
 

3.

Reïncarnatietherapie voor stemmenhoorders:

Effect- en procesonderzoek

In de jaren 1996 t/m 1999 is door Drs. R.van der Maesen (psycholoog)
onder begeleiding van de Universiteit van Amsterdam
in een promotie­onderzoek het effect van reïncarnatietherapie
onderzocht bij een groep mensen die hinder hebben
van stemmen zonder aanwijsbare bron.
Onder hen was een aantal ambulante psychiatrische patiënten;
anderen hadden geen psychiatrische stoornis.
In onderstaande samenvatting worden opzet, verloop
en resultaten van het onderzoek weergegeven.
Daaraan toegevoegd is een conclusie uit de recensie
op het onderzoeksverslag, gepubliceerd in Klank­spiegel,
een uitgave van de Stichting Weerklank,
de belangenvereniging van stemmen­hoorders.

Voor een evaluatieonderzoek naar het effect
en het proces van reïncarnatietherapie
bij mensen die gehinderd worden door stemmen
uit niet waarneembare bron (auditieve 'hallucinaties')
werden via advertenties en een patiëntenbelangenvereniging
stemmenhoorders opgeroepen.
Voor dit onderzoek, een promotieonderzoek
begeleid door de Vakgroep Klinische Psychologie
van de Universiteit van Amsterdam,
meldden zich 57 stemmenhoorders. Van hen voldeden 54
aan de insluitingcriteria, die geënt waren op
auditieve hallucinaties in schizofrenie
volgens de Diagnostic and Statistical Manual, de DSM-IV.
Deze criteria zijn gekozen om mensen aan te trekken
die al geruime tijd gehinderd werden door stemmen
en daarvan verlost wilden worden.
De aanmelding voor dit onderzoek is bovendien
een indicatie dat zij onvoldoende baat hebben
bij bestaande behandelmethoden.

Van de 57 respondenten meldden 38
een lopende behandeling bij een psychiater
of psychiatrische kliniek en 8 bij de RIAGG.
In 32 gevallen was er sprake van een medicamenteuze behandeling,
voornamelijk met antipsychotica.
Naast vragenlijsten voor het verzamelen
van demografi­sche gegevens en gegevens
over de mate van ernst van de problematiek
van het horen van stemmen, vulden de respondenten
de algemene klachten­lijst SCL-90 in
en ondertekenden zij een akkoordverklaring
(informed consent) met de inhoud van het onderzoeksprotocol.

Voor de behandeling van de stemmenhoorders
hadden zich 60 leden van de Nederlandse Vereniging
van Reïncarnatietherapeuten (NVRT),
de sponsor van dit onderzoek, beschikbaar gesteld.
Zij waren bereid een gratis intakeinterview af te nemen
en maximaal 12 sessies van 2 tot 2½ uur te doen
tegen een sterk gereduceerd honorarium.
De 54 stemmenhoorders die voor therapie in aanmerking kwamen,
werden gerandomiseerd toegewezen
aan een van de twee condities in het onderzoek.

Een groep, de experimentele groep, kreeg therapie aangeboden
in de periode september 1996 tot januari 1997.
De andere groep, de controlegroep,
kwam op een wachtlijst, met een toezegging van therapie
in de periode februari 1997 tot juli 1997.
Van de 27 cliënten in de experimentele groep
hebben drie cliënten zich niet voor therapie gemeld
wegens een heropname in een psychiatrisch kliniek
en konden twee cliënten naar het oordeel van de therapeut
zonder psychiatrisch vangnet niet in behandeling worden genomen.
Een andere cliënt trok zich terug
wegens gebrek aan vertrouwen in psychotherapie.
Van de 21 resterende cliënten in de experimentele groep
hebben 7 cliënten de therapie na een of enkele sessies afgebroken,
in 2 gevallen op initiatief van de behandelaar.
De overige 14 cliënten hebben de therapie
overeenkomstig het protocol afgerond. Vijf van hen
hebben twee tot acht vervolgsessies gedaan.
In de wachtlijstperiode werd ook de controlegroep uitgedund.
Een cliënt overleed na een heropname in een psychiatrische kliniek.
Zes anderen trokken zich terug om diverse redenen,
onder andere financiële redenen.

Het effect van reïncarnatietherapie is onderzocht
in een uitkomstonderzoek. In dit onderzoek is gekeken
naar de statistische en naar de klinische significantie van de resultaten.
De statistische significantie werd onderzocht
met behulp van de algemene klachtenlijst SCL-90,
die door alle respondenten in de voormeting was ingevuld
en voor de tweede maal aan zowel de behandelde cliënten
in de experimentele groep als aan de cliënten
in de controlegroep werd voorgelegd.
Met behulp van een variatieanalyse
werd een statistisch significant verschil (p =.005)
en dus een verbetering in algemene klachten
ten gunste van de experimentele groep vastgesteld.
Na deze meting hebben 20 cliënten uit de controlegroep
zich gemeld voor therapie. Twee van hen
konden niet in behandeling worden genomen
zonder een psychiatrisch vangnet; een derde cliënt trok zich terug.
Vier cliënten hebben de therapie voortijdig beëindigd
en dertien hebben de therapie afgerond.
Drie cliënten uit de controlegroep hebben 2 tot 5 vervolgsessies gedaan.

Voor de bepaling van de klinische betekenis (significantie)
van de therapie voor 27 cliënten uit de beide groepen
die de therapie hebben afgerond werd,
naast de klachtenlijst SCL-90, gebruik gemaakt van andere,
voor dit onderzoek ontwikkelde vragenlijsten.
Een van deze vragenlijsten had betrekking op cliënts oordeel
over de therapie en de eventuele wijziging
van het probleem stemmenhoren. Een andere vragenlijst
ging over de mate van satisfactie van de cliënt
over de behandeling en het therapieresultaat.
Aan een externe beoordelaar, een psychiater,
verbonden aan de RIAGG, was gevraagd
zich een oordeel te vormen over het therapieresultaat
door het afnemen van posttherapeutische interviews.

De SCL-90 is zes maanden na de afronding
van de behandeling aan alle cliënten voorgelegd:
14 van de 27 behandelde stemmenhoorders scoorden
een significante verbetering. Er was sprake van 'significant'
als de individuele scores in voor- en nameting
een positief verschil vertoonden van één standaarddeviatie
van de gehele groep. Uitgaande van de normscores
voor psychiatrische patiënten en voor 'normalen' op de SCL-90
zijn elf cliënten in hun klachtenscores 'verschoven'
uit de range van psychiatrische patiënten in de range van normalen.

Op de vragenlijst 'Oordeel van cliënt over het therapieresultaat,
zes maanden na therapiebeëindiging', gaf 52% aan
baat gehad te hebben bij de therapie
ter zake van de hinder van de stemmen.
Vier van hen waren sinds de therapie geheel stemmenvrij.
Voor 78% had de therapie nog een andere, positieve betekenis.
Het gemiddelde waarderingscijfer
voor de kwaliteit van reïncarnatietherapie
kwam uit op 7,8. Van de 21 cliënten
die op de desbetreffende vraag een antwoord gaven,
konden 20 de therapie aanbevelen voor stemmenhoorders.
In 25 posttherapeutische interviews
die door de externe beoordelaar
zes maanden na therapiebeëindiging zijn afgenomen,
heeft deze zich een oordeel kunnen vormen
over de diagnoses en over het therapieresultaat.

Als 'geschatte' diagnose meldde de externe beoordelaar
bij 10 cliënten schizofrenie en bij nog eens 10
een andere psychiatrische stoornis.
Als therapieresultaat werd gemeld: bij
6 deelnemers stemmen verdwenen of sterk gereduceerd in aantal,
8 deelnemers gaan er beter mee om
en 11 deelnemers hebben ter zake van stemmenhoren geen verbetering.
In telefonische interviews met 25 cliënten door dezelfde beoordelaar,
één tot anderhalf jaar na het eerste interview,
bleken de stemmen bij één stemmenvrije cliënt weer teruggekomen,
na een afwezigheid van zes maanden. Bij de overige cliënten
hebben zich ter zake van de stemmen
geen bijzondere wijzigingen voorgedaan.

In het procesonderzoek is een poging gedaan
om inzicht te krijgen in de factoren
die het resultaat hebben beïnvloed of bewerkstelligd.
Een bijdrage daartoe is geleverd door de behandelende therapeuten
en door vier externe beoordelaars, twee psychiaters en twee psychologen.
Door hen is geopperd dat de meerwaarde van reïncarnatietherapie
ten opzichte van bestaande, reguliere vormen van psychotherapie,
moet worden gezocht in de overeenkomsten in opvatting
over metafysische verschijnselen bij een deel van de stemmenhoorders,
met die van reïncarnatietherapeuten,
die werken aan de hand van op die opvatting afgestemde modellen.

Ook de behandeling van en omgang met zogenoemde
vorige-levens-herinneringen, voor zover afkomstig van cliënten
en door hen gepresenteerd als reële ervaringen,
lijkt een specifieke factor in reïncarnatietherapie.
Omdat vorige-levens-herinneringen in hetgeen bekend is
over het menselijk geheugen een niet-erkend fenomeen is,
wordt aanbevolen het nog onontgonnen gebied
van de 'impliciete herinneringen' en het 'impliciete geheugen'
diepgaand te onderzoeken. Een eerste stap daartoe
zou zijn het verleggen van het onderzoeksterrein
naar een vroeg stadium van de zwangerschap
om meer inzicht te krijgen in de veronderstelde
onverbreekbare relatie tussen geheugen en hersenen.
Tenslotte wordt ook aan de sessieduur, 2 tot 2½ uur per sessie,
klinische relevantie toegedicht.

Het derde deel van het onderzoek
betrof een fenomenologische studie
van het verschijnsel stemmen.
Er is geen twijfel over de ernst van de problematiek
van het horen van stemmen, die bedreigend, angstaanjagend
en beschuldigend zijn, vaak opdrachten geven en soms aanzetten
tot automutilatief (zelfbeschadiging) en suïcidaal gedrag.
Er blijkt ook bij een deel van de stemmenhoorders
een gehechtheid aan de stemmen te ontstaan,
leidend tot een groeiende afhankelijkheid.
Naast de waarde van het aanleren van copingstrategieën
zou therapie zich kunnen richten op existentiële aspecten
van de stemmen, zoals de vraag waarom
en onder welke omstandigheden
de verbinding met de stemmen is aangegaan
en wat ertoe bijdraagt dat deze verbinding
in stand blijft en zo moeilijk te verbreken is.

Conclusie uit de recensie van Henny Dekker in Klankspiegel d.d.1/3/2000:
Als ik het boekje (onderzoeksverslag) lees, krijg ik de indruk
dat vrijwel niemand schade heeft ondervonden aan de therapie
en dat de cliënten veel baat hebben gehad
bij de persoonsgerichte aanpak. De enige kritiek
die ik zou kunnen geven is dat de therapeuten
naar keuze ofwel reïncarnatietherapie, ofwel regressietherapie
of gewoon gesprekken hebben gevoerd met de cliënten.
Het aantal sessies in dit onderzoek (volgens het protocol: maximaal 12)
was ook iets te gering om veel resultaten op de lange termijn te boeken.
Dat neemt niet weg dat het baanbrekend is
om een dergelijke therapie toe te passen
op mensen met een problematiek die zo ernstig is
als bij deze cliënten die uitgekozen zijn voor dit onderzoek.

Het onderzoeksverslag is verkrijgbaar door te bestellen
bij het verzendbureau, veraqueva.wimtettero@kpnplanet.nl

U krijgt daar eerst meer informatie over kosten en wijze van betalen.

copyright 2004 NVRT

Ondanks dat er aanvankelijk veel tegenstand was vanuit de universitaire
wereld, is Dhr. v. d. Maesen in tussen op zijn onderzoeken gepromoveerd.
Zijn promotiewerkstuk is eveneens op te vragen via het verzendbureau
van de nVRT (
zie boven).

4.

Hersenonderzoek met behulp van scans.
Professor Doctor Mario Simoes uit Portugal is hersenspecialist. 
Hij heeft onderzoek gedaan naar de stadia van bewustzijn
tijdens herinneringen van diverse soort.
a.  Hij liet studenten zich iets herinneren dat in hun jeugd
     was gebeurd en hij onderzocht studenten toen zij zeer vroege
     jeugdherinneringen uit hun huidige leven herbeleefden. 
     Dergelijke herinneringen zijn verifieerbaar,
     namelijk bij de ouders van de 'cliënt'.  Tegelijkertijd maakte hij
     hersenscans.  Bij alle proefpersonen
     was het hersengebied dat actief was (X) hetzelfde.
b.  Vervolgens liet hij de deelnemers een verhaal verzinnen
     met de opdracht zich dat sterk in te beelden.  
     Het hersengebied dat activiteit vertoonde
     was een duidelijk ander gebied (Y).
c.  Daarna liet hij de deelnemers in reïncarnatietherapie
     naar een vorig leven gaan.  Daarbij beleefden zij dus
     herinneringen die in een andere tijd en in een ander
     lichaam zijn ontstaan.  Bij deze herbelevingen
     en bij het vertellen over die ervaringen vertoonden
     de hersenen activiteit in het zelfde gebied (X) als waar
     de verifieerbare herinneringen zaten en dus
niet in het fantasiegebied. 

    

 

Start ] Omhoog ]