De overgang naar een nieuw paradigma verloopt nooit probleemloos, ook nu niet. In zijn boek “The structure of scientific revolution” laat Thomas Kuhn dat duidelijk zien. Eerst worden afwijkingen van het bestaande beeld niet opgemerkt, of ontkend, of als vergissingen gezien. Vervolgens probeert men de afwijking te persen in het bestaande paradigma. Tenslotte verandert een paradigma pas als een moedig mens de bestaande wereldbeschouwing aanvecht en nieuwe modellen voor de werkelijkheid voorstelt. Doorgaans wordt dat dan eerst nog door de gevestigde orde afgewezen, of verketterd en belachelijk gemaakt.
Zo’n dapper iemand was bijvoorbeeld Copernicus. In zijn tijd werd het idee van een om de zon draaiende aarde volkomen belachelijk gevonden. Zijn ontdekking in 1513 hield hij gedurende dertig jaar voor zich, omdat deze ideeën volkomen indruisten tegen de opvattingen van de kerk, die toen de bepalende machtsfactor was. Toen hij in 1543 zijn dood voelde naderen, publiceerde hij zijn vindingen pas. Het Vaticaan plaatse zijn boek op de pauselijke index van verboden boeken. Pas in 1609 vond Galileo Galilei met behulp van de door hem uitgevonden telescoop het bewijs voor de ideeën van Copernicus. Niettemin moest hij van de paus zijn ‘ketterse ideeën’ intrekken en werd hij uiteindelijk tot levenslang huisarrest veroordeeld. Pas met de ontdekking van de wetten van beweging en zwaartekracht door Isaac Newton ± 1665 was die revolutie compleet. Dit veranderde de manier waarop mensen hun wereld zagen enorm. Pas in 1992 bood het Vaticaan excuses aan voor zijn behandeling van Galileo.
Het metaparadigma:
Alle paradigma’s in de huidige ‘wetenschap’ zijn gebaseerd op één aanname, dé vóóronderstelling:
● dat de fysieke wereld de enige werkelijkheid is,
● dat materie, ruimte, tijd en energie de fundamentele componenten van de werkelijkheid zijn,
● dat als we het functioneren van de fysieke wereld geheel begrijpen, we alles in de kosmos kunnen
verklaren.
Daarom is dit een metaparadigma.
Dit metaparadigma is buitengewoon succesvol geweest in het verklaren van de materiële verschijnselen. Daarom worden er vrijwel nooit vragen over gesteld. Het falen van dit metaparadigma wordt pas zichtbaar op het moment dat we ons naar de immateriële wereld van de geest richten. Dat komt omdat bewustzijn niet uit materie bestaat. Het bestaan van bewustzijn kan niet ontkend worden, maar voor het materialistische paradigma vormt het een anomalie, een onverklaarbare afwijking.
En het onverklaarbare wordt dus eerst genegeerd omdat:
1. Het niet kan worden waargenomen op de manier van materiële objecten; gewogen, gemeten,
vastgelegd.
2. Ten aanzien van bewustzijn volgens ‘wetenschappers’ geen objectieve waarheden vast te stellen
zijn.
3. Het functioneren van het universum ‘verklaard’ kon worden zonder dit lastige onderwerp te
onderzoeken.
Diverse ontwikkelingen hebben nu echter aangetoond dat objectieve waarneming helemaal niet bestaat. Volgens de kwantumfysica beïnvloedt, tot en met het niveau van het atoom, het waarnemen ‘an sich’ de waargenomen realiteit. Volgens zeer vele onderzoekingen heeft de geestelijke toestand van een mens een wezenlijke uitwerking op zijn eigen genezingsprocessen, maar ook op die van anderen, zelfs als die anderen niet op de hoogte zijn van deze inwerking door derden. (Lees ook Mc Taggart: “Het veld”)
Een groeiend aantal wetenschappers probeert nu te verklaren hoe bewustzijn ontstaat. Er worden allerlei ideeën geopperd (chemische, kwantumfysische, computeristische, of chaostheoretische verklaringen), maar onbeantwoord blijft: “Hoe kan iets dat zo onstoffelijk is als bewustzijn
ooit ontstaan zijn uit iets dat zo onbewust is als materie ?”
Al deze benaderingen zitten namelijk gevangen in het metaparadigma. Zij zetten de vervolg-stap en zoeken de oplossing in het inpassen van de anomalie in het materialistische wereldbeeld.
We zijn tenslotte hard toe aan de derde stap; een nieuw wereldbeeld, waarin bewustzijn de wezenlijke basis van de werkelijkheid is. Nu de wereld ondanks of dankzij allerlei technologische kennis steeds meer in de (persoonlijke, sociale, economische, milieu) problemen komt, is de noodzaak voor een innerlijk ontwaken steeds groter, omdat een misvatting t.a.v. de aard van het bewustzijn aan de basis van al deze problemen ligt. Waar in het verleden bewustwording van belang was voor onze persoonlijke ontwikkeling, is zij nu ook noodzakelijk voor ons overleven als soort. Door het algemene geloof dat ons innerlijk welzijn afhankelijk is van uiterlijke omstandigheden, hebben mensen de krachten van de nieuwe technologieën verkeerd gebruikt en onze planeet geplunderd en vergiftigd. Deze aantasting van onze bestaansgrond dwingt ons onze waarden en prioriteiten tegen het licht te houden en te ontwaken. Overal om ons heen kunnen wij zien (boeken, films, cursussen) dat steeds meer mensen die uitdaging serieus aangaan.
Alle bestanddelen voor dit nieuwe metaparadigma zijn al aanwezig. We hoeven alleen een synthese van bestaande disciplines en ontdekkingen tot stand te brengen.
Net zoals de wetenschap onderhevig is aan paradigma-verschuivingen en nu toe is aan een nieuw paradigma heeft ook godsdienst zich steeds ontwikkeld: van alles bezit een eigen ziel of geest, via polytheïsme (verschuiving naar bovennatuurlijke godheden) naar monotheïsme (één almachtige god als een persoonlijk wezen). Daarnaast was er al vroeg een atheïstische (zonder god) stroming. In de zesde eeuw vóór chr. grondde Mahavira het Jainisme, in de vijfde eeuw voor chr. Siddharta Gautama het Boeddhisme en rond die zelfde tijd traden in China Lao Tzu en Confucius op. In feite onderwezen zij allen dat mensen de waarheid kunnen ontdekken en vrede kunnen vinden zónder in een godheid te geloven. Via een eenvoudig leven, met deugdzaamheid, eerlijkheid en boven alles vriendelijkheid én met behulp van volhardend oefenen, kan men zichzelf bevrijden van alle zelf opgelegde beperkingen zoals verlangens, hechtingen, misleidingen en een verkeerd besef van het zelf; het ego. Een ander steeds terugkerend spiritueel thema is het pantheïsme (god is alles). [ Hegel: ‘de geschiedenis is deel van de zelfverwerkelijking van god.’ ] Naast Hegel waren (zijn) Whitehead, Teilhard de Chardin, Sri Aurobindo en Einstein bekende pantheïsten. Het pantheïsme kent geen kerk, geen heilig boek, geen goeroes, geen organisatie.
Daarom is het niet zo zichtbaar, maar in feite zijn veel mensen vandaag de dag pantheïsten.
De wetenschap heeft zich (gelukkig) losgemaakt van de doctrines van de monotheïstische godsdienst en schiep een atheïstisch wereldbeeld. Dat heeft ons allen veel gebracht, maar ons ook vervreemd. Het is nu hoog tijd dat de wetenschap bewustzijn als een wezenlijke hoedanigheid van de werkelijkheid gaat zien en dat de godsdiensten God aannemen als het licht van het bewustzijn dat in ons allemaal en in alles straalt. Dan kunnen die twee weer worden samengebracht in een groter, meer omvattend, completer metaparadigma, waarin wetenschap en spirituele leringen dezelfde basis hebben. Deze ontmoeting is van wezenlijk belang voor een dieper inzicht in de kosmos en voor de overleving van onze soort. De toekomstige ontwikkeling van de menselijke soort gaat niet in de richting van de buitenaardse ruimte, maar naar de voor de meesten nog verborgen diepten van het bewustzijn.
De derde weg naar spirituele groei; bewustwording van het ene bewustzijn
Er zijn grofweg twee manieren waarlangs we ons in het algemeen als mens spiritueel ontwikkelen. Deze twee hebben elkaar nodig waardoor een derde weg ontstaat.
Groeien door zelfverbetering
De eerste weg is de meest bekende: we gaan op zoek naar wie we zijn en waar we vandaan komen, naar wat het betekent om mens te zijn, naar hoe we onszelf beperken en wat we daaraan kunnen doen. Dit is de weg van bewustwording en persoonlijke groei: een lange en soms moeilijke weg en uiterst belangrijk. Zonder onszelf te onderzoeken en aan onszelf te werken, en zonder ons te openen voor de mogelijkheden en de beperkingen die het leven ons biedt, zullen we geen stap verder komen. Maar hoe belangrijk deze weg ook is, en hoeveel ze ons ook te bieden heeft, uiteindelijk is er meer nodig voor vervulling en om volledig tot bloei te komen.
Accepteren wat er is
Om ons werkelijk te openen, en diepgaand en blijvend vervulling te vinden is er nog een andere weg nodig: die van het volledig in relatie gaan met alles precies zoals het is, zonder te willen veranderen, zonder ergens aan te werken, zonder iets te willen verbeteren en ook zonder te streven naar groei. Dit gaat tegen de natuurlijke gewoonte van de meesten van ons in. Ook dit is geen makkelijke weg. Hierbij komen we ons ego tegen, dat geleerd heeft af te wijzen wat we als niet goed zien en aan te pakken wat we niet goed vinden. We komen onze angsten tegen voor wat er gebeurt als we er niet iets mee doen. We zijn vaak bang om echt binnen te laten komen hoe het is, in en om ons heen. En meestal is er ongeloof dat we echt helemaal mogen zijn zoals we zijn, met onze fouten en tekortkomingen.
De derde weg
Op het eerste gezicht lijken deze wegen onverenigbaar, maar ze zijn allesbehalve dat. Zoals gezegd hebben ze elkaar nodig. Zonder eerst geploeterd te hebben op de eerste weg beperkt de tweede zich tot acceptatie en kunnen we slachtoffer worden van de omstandigheden. Om echt in relatie gaan met alles wat er is, in en om ons heen, moeten we eerst aan onszelf gewerkt hebben. We zitten anders te veel gevangen in wat ons geleerd is en in de wonden die we opgelopen hebben. We kennen ons ego te weinig, en we zijn er te veel mee geïdentificeerd, en datzelfde geldt voor onze angsten.
Echter, ook als we wel de tweede weg kunnen gaan, blijft het eerste pad met zijn bewustwording en persoonlijke groei belangrijk. Deze zal echter van karakter veranderen, doordat ze nu ingebed raakt in de tweede en daar onderdeel van wordt: ze wordt dan deel van de stroom van het leven en houdt op ergens tégen te vechten.
In relatie gaan met het leven precies zoals het is, in en om ons heen, is een enorme omslag. Het betekent dat we gaan zien en ervaren dat alles deel is van het grotere geheel dat het Leven is, en dat alles zijn plaats heeft. Je zou kunnen zeggen dat alles heilig is, of heel, wat ons ego daar ook maar van vindt.
Enerzijds betekent dit automatisch dat er niets hoeft te veranderen, want het is immers al heel, heilig. Zelfs onze fouten en neuroses – en die van anderen – zijn deel van deze heelheid.
Anderzijds betekent het ook het tegenovergestelde. Het Leven is namelijk altijd in beweging en heeft de ingebouwde drang tot groeien en heel worden, zoals een wond de neiging heeft te helen. Ook in ons is de drang tot groei en helen, de drang om mee te bewegen. Dat betekent dat wij door echt in relatie te gaan met wat er is, gedragen worden door deze drang te groeien en te helen.
Door een intieme relatie aan te gaan met waar we niet blij mee zijn om ons heen, maar vooral in onszelf, zullen dingen automatisch in beweging komen en zullen wij automatisch in actie komen waar dat nodig is. Maar onze actie is niet meer tegen onszelf of onze omgeving gericht, onze actie wordt een actie vóór het Leven. We hoeven niet meer te werken aan wat nog niet goed is, we worden voortgestuwd door ons verlangen en, je zou kunnen zeggen, door liefde. Onze inspanning wordt moeiteloos.
We erkennen alles wat er is, zonder er tegen te vechten. En als we er wel tegen willen vechten erkennen we dat ook. Na verloop van tijd gebeurt er dan iets. Wát weten we niet, maar er gebeurt altijd iets. Het kan zijn dat we een manier vinden om waar nodig op te treden, het kan zijn dat onze gevoelens veranderen, of dat we stuiten op onverwerkte pijn uit het verleden en daarmee in relatie gaan. Wat het ook is, het komt voort uit verbinding met het leven en is daarmee in lijn, en wordt daardoor gedragen.
Problemen ontstaan niet doordat we het niet goed doen, problemen ontstaan doordat we niet in relatie gaan met de situatie en onszelf daarin; ongekuist en onvolmaakt. Het Leven gaat weer stromen als we die relatie herstellen, ook al ziet het er vaak niet uit zoals ons ego het meestal graag zou willen: harmonieus, conflictloos en zacht, . . . . én onder controle.
Door beide wegen te integreren worden we vrij, en verbonden met onszelf, anderen, en het Leven.
Deze manier van in het leven staan is niet makkelijk, juist omdat zij je uitdaagt steeds weer te zijn met wat er is. Maar ze beloont rijkelijk. Naast verbinden en bevrijden geeft ze ontspanning, vertrouwen, vervulling en een blijvende onderstroom van geluk en je gedragen voelen.
