De ontsporing Deel 1

De ontsporing van de wetenschap

Nadat in de renaissance de wetenschap zich losmaakte van de dogma’s van de kerk kwam er een hele nieuwe ontdekkingsreis op gang. Voorheen was het de kerk die het alleenrecht op dé waarheid in pacht hield. De nieuw verworven vrijheid leidde tot een hele reeks aan nieuwe ontdekkingen en inzichten, maar ook tot de grote verduistering, die ten onrecht de ‘verlichting’ wordt genoemd.

René Descartes (1596-1650) kwam met de beroemd geworden uitspraak: “Je pense donc je suis.”. Die is algemeen beperkt tot; “Ik denk dus ik besta.” Maar het Franse werkwoord ‘penser’ betekent behalve ‘denken’ ook ‘waarnemen’. Dat laatste omvat naast denken ook voelen en aanvoelen en laat er ruimte voor dat we veel meer zijn dan ons brein. Wie of wat is het ‘ik’ dat voelt.

Eén van de pioniers van de vrijheid was John Locke (1632-1704). Hij wordt algemeen beschouwd als één van de grondleggers van het liberalisme. Hij stelde: “Het maatschappelijk geheel is een illusie, elk individu staat voorop”. Dat leidde tot een atomistisch mens- en wereldbeeld; waarin de wereld bestaat uit van elkaar geïsoleerde fragmenten. Dé uitspraak van Locke die het meest misbruikt is, is de volgende: “Alleen dat wat te meten is, is de moeite waard om onderzocht te worden, de rest is te vaag”. Volgelingen maakten daarvan: “Alleen het meetbare is waar, de rest is onwaar.” Met deze atomistische visie begint de grote verduistering. De periode die ‘de verlichting’ wordt genoemd, verdonkeremaant steeds meer het zicht op de samenhang der dingen en op het belangrijkste; de ene geest die zich uitdrukt in de veelheid.

Vervolgens wordt een uitspraak van Isaac Newton (1642-1727) misvormd. Newton zelf had als wiskundige, astronoom, natuurfilosoof, alchemist en theoloog een spirituele visie op de werkelijkheid. Zijn uitspraak: “Het universum is als een zielloos uurwerk” had nog een metaforisch karakter. Hij zag dat allerlei processen in de natuur volgens wetmatigheden verlopen. Zijn volgelingen hebben van die beeldspraak een absolutisme gemaakt door ‘als’ weg te laten.

Dan komt de evolutietheorie. De bioloog Alfred Wallace, afkomstig uit de arbeidersklasse, kwam (juni 1859) met een volledig uitgewerkte observatie. Hij ontdekte dat samenwerking de beste ontwikkelingskansen bood om zwakkeren te verheffen. Als arbeiderskind kon hij zijn ontdekkingen echter niet gepubliceerd krijgen. Charles Darwin, afkomstig uit de aristocratie, ‘kaapte’ (nov. 1859) het werk van Wallace en verschoof de nadruk naar strijd en overleven van de meest geschikten. In zijn, “On the origin of species”, komt hij met “The survival of the fittist”. Hoewel Darwin aan het eind van dat boek zelf stelt dat hij voor zijn theorie geen enkel bewijs heeft gevonden, wordt die theorie gretig opgepikt door de elite als een ‘rechtvaardiging’ van de klassenverschillen. Omdat vrijwel alle wetenschappers uit diezelfde elite kwamen werd Darwins theorie als ‘wetenschappelijke waarheid’ binnen tien jaar volledig geaccepteerd en verspreid door de machtshebbers, die nu een alibi kregen. In een latere publicatie, “The descent of men”, betuigde Darwin zijn spijt over het in de wereld zetten van die theorie, maar toen was het kwaad al gemeengoed geworden. We weten nu dat de al lang achterhaalde “Survival of the fittists”-waan, gecorrigeerd moet worden naar “Survival of the friendliest!” Er zijn tal van wetenschappelijke gegevens die dat ondersteunen.

Feitelijk groeit uit dit alles het ‘wetenschappelijk’ materialisme. Het materialistisch reductionisme (er bestaat uitsluitend materie) wordt steeds meer het enig aanvaarde paradigma. Gevolg is dat er dan steeds minder plaats is voor: geest, bewustzijn, ziel. Dat paradigma is al zo lang het overheersende wereldbeeld dat er nauwelijks nog vragen bij gesteld worden. Dat leidt tot een desastreuze vervreemding van de natuur en van het mysterie waar wij deel van zijn. Mensen worden zo gereduceerd tot machines; denk- en genenmachines. Voor de denkers van ‘de verlichting’ bepaalt uitsluitend de rede de mens en haar voortbrengselen (‘wetenschap’, technologie, pragmatisme). Dat is voor hen louter een gevolg van elektro-biochemische processen in de hersenen; in moderne termen ons IQ. Wij zijn echter niet ons brein.” In deel twee wordt duidelijk hoe dat de ramp van de volledig ontspoorde ‘gezondheidszorg’ mogelijk maakte en nu leidt tot het sinistere transhumanisme.

De moderne wereldproblemen kunnen we absoluut niet oplossen met het ondertussen bewezen verouderde ‘wetenschappelijke’ verhaal. Ze vragen absoluut om begrip van de intrinsieke eenheid van al het bestaande en dus om samenwerking en wederzijdse ondersteuning i.p.v. om conflict en strijd.

En dan nu!
Hoewel er vele wetenschappelijke ontdekkingen zijn die dat materialisme ontkrachten, blijven veel academische instituten krampachtig proberen die in stand te houden. Kritische wetenschappers t.a.v. de evolutietheorie en t.a.v. het materialistisch reductionisme worden (ook in Nederland) in de media níét aan het woord gelaten.

Gelukkig is er een groeiende groep wetenschappers die zich niet laat beperken door de dominerende conservatieve ‘wetenschappelijke’ gemeenschap of de godsdiensten. Álle nieuwe wetenschappelijke gegevens uit de biologie, de genetica de neurologie en de aardwetenschappen bewijzen dat wij het product zijn van een intelligente levensvorm. De timing, precisie en zorgvuldigheid van onze genetische mutaties en de technologie die vereist is voor zulke mutaties duiden op voorafgaande planning en intentie van een hoogontwikkelde intelligentie. En dat gebeurde ineens ±200.000 jaar geleden. Deze bewijzen accepteren, zal onze kijk op onszelf en op onze plek in het universum enorm veranderen.
o De verhoudingen zoals afgebeeld op de evolutiestamboom zijn níét gebaseerd op bewijzen.
De moderne mensen met al hun hoogstaande eigenschappen verschenen ±200.000 jaar geleden plotseling. Ze ontwikkelden zich níét geleidelijk, zoals de evolutietheorie beweert. Het 50% grotere brein dan dat van andere primaten en een veel complexer zenuwstelsel waren meteen aanwezig en de mens is sindsdien niet meer wezenlijk veranderd.
o Het vergelijken van Mitochondriaal DNA van Neanderthalers met de vroegste moderne mensen bewees dat wij níét van de Neanderthalers afstammen. (MtDNA is onveranderbaar DNA. Het bevindt zich in de energiecentra van alle cellen. We erven het alleen van moeders via haar eicellen. Alleen het andere genetische materiaal kan onderhevig zijn aan genetische plasticiteit; aan veranderen dus.) Alle huidige bewijzen tonen aan dat mensen in geen enkele evolutiestamboom thuishoren. We zijn géén variatie op eerdere, andere levensvormen en dus ook geen geëvolueerde apen
o De bewezen conclusie moet zijn dat we geen speling zijn van het lot door toevalligheden en/of door ‘survival of the fittist’, maar iets dat de evolutie overstijgt; een bewuste en intelligente scheppingsdaad. (Dat vereist niet per se een soort godmens.) Die intelligentie gaf ons de buitengewone vermogens als: intuïtie, mededogen, empathie, liefde, zelfgenezing, enz.

De ‘European Early Modern Human (EEMH), van ±200.000 jaar geleden is in essentie dezelfde als de hedendaagse mens
Sinds in 2000 het HGP (Human Gnoom Project) met baanbrekende technieken werd afgerond, werden dezelfde technieken toegepast op andere levensvormen. Voor het eerst hoefden wetenschappers niet te gissen m.b.t. onze al dan niet genetische verwantschappen. Hieruit bleek:
We verschillen slechts 1.5% van chimpansees;
o We delen 60% DNA met de fruitvlieg;
o We delen 80% met de koe;
o We delen 90% met de huiskat.

Onze menselijkheid is absoluut meer dan een op toevalligheden gebaseerd evolutieproces.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *